Verhalen uit Ghana - 6 Februari 2001


Hoofdpagina

Hoofdpagina
Nieuws

Ghana

Informatie
Kaarten
Geschiedenis
Onderwijs
Reistips
Publicaties
Literatuur

Gastenboek

Persoonlijk

Wie zijn wij
Plaatsing
Brieven
Foto's






Reisverhaal van Erik

Reisverhaal van Erik

We wonen op de campus van de school, op een heuvel even buiten het dorp. Als we naar de markt willen of naar een vriend in het dorp, moeten we dus een aardig eindje lopen. We hebben één fiets, maar met z'n tweeën kunnen we daar niet op. Bovendien zijn de wegen erg slecht; meestal onverhard of, nog erger, wel verhard maar niet onderhouden. Fietsen hier is dus vermoeiend en bovendien erg slecht voor de fiets.

Als we verder weg willen reizen, naar een ander dorp of stad, zijn we aangewezen op het 'openbaar vervoer': de Trotro. Een trotro is een bestelbusje waar van achter een aantal banken in zijn gelast. De busjes zijn waarschijnlijk APK-afgekeurde overblijfsels uit het westen; onder de christelijke leuzen zijn vaak nog dingen als 'Bakker Bollebof, Dorpstraat 12, Tietjerkstradeel' te lezen. Een busje uit Blokker zijn we nog niet tegengekomen, maar dat komt nog wel...

We zullen hier proberen een beeld te geven van een trotro rit. Hoewel het wat extreem klinkt misschien, hebben we alles in het komende verhaal werkelijk meegemaakt. Natuurlijk niet allemaal in één en dezelfde rit...

Onze denkbeeldige rit voert van Asankrangwa naar Accra, de hoofdstad. Deze rit kan theoretisch in ongeveer 8 uur... We vertrekken 's ochtends vroeg, in de hoop aan te komen om een uur of vier 's middags. Bovendien vertrekken er in de ochtend altijd veel busjes. Helaas is gisteravond de stroom uitgevallen, dus rollen we om half vijf met kaarstlicht ons bed uit. Slaperig douchen we, proppen de laatste dingen in de tas en dalen in het donker de heuvel af naar het station. Daar aangekomen blijkt de eerste trotro naar Takoradi (onze eerste halte) nét vertrokken te zijn. Dat wordt dus wachten... We kopen alvast een kaartje, zoeken een bankje uit om op te zitten en bekijken het langzaam ontwakende dorp. Een oude vrouw veegt wat troep bij elkaar en een klein jongetje neemt in z'n blootje een bad door veel water en zeep over zich heen te gooien. Het wordt licht, we ontbijten met wat zoetig brood en gekookte eieren die we langs de weg kopen en hopen op meer klanten voor de trotro. In het kleine busje moeten minstens 25 mensen, en er zijn pas 7 kaartjes verkocht. En denk maar niet dat de chauffeur wegrijdt als er nog maar één plaats onverkocht is! Een aantal mensen proberen een voorzichtig praatje te maken en zijn verrukt als we een beetje Twi blijken te spreken. 'Wo te Twi paa!!' roepen ze uit, maar na vijf minuten is ons Twi en hun Engels meestal op, en ebt het gesprek langzaam weg. Het wordt steeds later en later. De dag is inmiddels goed begonnen. Schoolkinderen komen langs, roepen 'Obroni!' naar ons, kopen een miniscuul bordje rijst langs de kant van de weg en wandelen verder naar school. Mariska begint in iedere voorbijganger een potentiele reiziger naar Takoradi te zien en is hevig teleurgesteld als ze doorlopen.

Na drie uur wachten, het is inmiddels bijna half negen, roept de 'mate' (de bijrijder) dat we in moeten stappen. Ons wordt traditioneel de twee stoelen naast de chauffeur aangeboden. Vanaf daar heb je een prachtig uitzicht op de adembenemende inhaalmanouvres, dus meestal bedanken we voor de eer. Zover mogelijk achterin lijkt het veiligst. Beenruimte is een overbodige luxe volgens Ghanezen, en met z?n vieren naast elkaar op een bankje van anderhalve meter is geen probleem. Ook traditioneel wordt ons veel te veel voor eventuele bagage gevraagd. ¢1000 is normaal, maar vandaag is de vraagprijs ¢7000. We beginnen te lachen en zeggen dat we nooit meer dan ¢1000 betalen. Na lang onderhandelen komen we uit op ¢2000, nog steeds te veel. We nemen plaats en kijken toe hoe enorme zakken rijst op het dak worden getild. Dan hoor ik wat vreemde geluiden: De achterdeur gaat open, en onder mijn bank wordt een luidkeels protesterend varken geschoven. De gammele achterdeur wordt dichtgeslagen en blijft na drie keer proberen dicht zitten. Inmiddels zijn nog wat extra mensen aan komen lopen. Uit menslievendheid besluit de mate dat hij ze niet kan laten staan. Als iedereen wat opschuift kan er best nog een dikke vrouw met twee kinderen bij. Ademhalen kunnen we wel weer als we aankomen.

Om negen uur is alles ingeladen en kunnen we vertrekken. De weg is onverhard en vol kuilen, hoewel er de laatste paar maanden veel is verbeterd. Wel is de weg nog erg stoffig, dus langzaam worden Mariska en ik bruin-rood. De schokdempers heeft dit specifieke bestelbusje ook in Europa achtergelaten, dus ieder steentje op de weg lanceert ons richting plafond. In de verschillende dorpjes langs de weg (heel pitoresk, met echte lemen hutjes enzo) worden mensen en of goederen in- en uitgeladen. Het schijnt een soort wet te zijn dat de mensen die er het eerst uit moeten het verst naar achter gaan zitten, zodat ze over iedereen heen moeten klimmen om uit te stappen. Bijzonder ergonomisch.

Bij iedere stop wordt het busje bestormd door vrouwen met grote manden vol brood, sinaasappels of snackjes op hun hoofd. Door de raampjes heen wordt over prijzen onderhandeld en worden kopen gesloten. Dan trekt de bus weer op, op weg naar het volgende dorp. We zijn net een beetje op gang als er ineens wat mensen beginnen te schreeuwen. We verstaan nog niet genoeg Twi om precies te horen wat er aan de hand is, maar het woord 'prako' valt veelvuldig, en mensen beginnen door de achterruit te kijken. Ik kijk ook om, en merk dat de achterdeur open is: Het varken is er uitgevallen! Mensen lachen een beetje, sommigen roepen 'Owu?' en de chauffeur zet het busje in z'n achteruit. Het varken blijkt nog in leven, en wordt nog luider protesterend dan eerst weer ingeladen.

We vervolgen de reis. Na verloop van tijd begint het een beetje te stinken. Het ruikt vooral naar iets heets, en het komt waarschijnlijk van de motor vandaan. Nee he... Jawel hoor, na nog een kwartier begint er witte rook uit de voorkant van het busje te komen. Het busje wordt gestopt en de mate springt er uit om een jerrycan water te gaan halen. Gelukkig zijn we in een dorpje, dat ook nog eens gezegend is met een pomp, dus de jerrycan is gauw gevuld. Sissend wordt het water in de koeltank gegoten, en dat is het dan weer. Opnieuw gaan we verder. Niet lang daarna komen we aan in Tarkwa, een mijnstad waar veel (dikke) blanken met teveel geld wonen. Je kunt hier als je wilt allerlei westerse groenten kopen, en er is een erg goed (en erg duur) mexicaans restaurant. De trotro stopt vandaag niet lang, maar toch net lang genoeg om twee jongemannen in te laden. Er is niet veel plaats meer, dus de heren moeten ongeveer bij een paar anderen op schoot. Die anderen protesteren een beetje, de nieuw ingestapte jongemannen geven daar weer commentaar op, en we zijn nog niet vertrokken of een goeie Ghaneze woordenwisseling begint. Alles gaat in het Twi, en het vocabulaire dat wordt gebruikt zullen we waarschijnlijk niet snel van onze keurige Twi-leraar leren. Het geheel ziet er nogal komisch uit omdat de ruziemakers om en over mensen bij hen op schoot heen moeten schreeuwen en geen ruimte hebben om lichamelijk uiting te geven aan hun boosheid. Steeds meer mensen beginnen zich er mee te bemoeien, en het wordt een behoorlijk lawaai. Bij dit soort ruzies blijft het bijna altijd bij schreeuwen; ik kan me niet herinneren ooit twee Ghanezen met elkaar op de vuist te hebben zien gaan. Twee stops verder stappen wat mensen uit en langzaam wordt de onenigheid gesust.

Uiteindelijk, na ongeveer vijf uur door elkaar te zijn geklutst komen we in Takoradi aan. We frommelen ons uit het busje en masseren onze getergde spieren. Bij uitstappen worden we besprongen door tientallen taxichauffeurs die allemaal willen weten waar we heen gaan. 'Naar het STC-station'. 'Oh, kom maar mee, ik zet je er wel af voor ¢10,000!'. Gelukkig weten we dat het STC-station drie minuten lopen verderop is, dus beleefd weigeren we zijn vriendelijke aanbod, hijsen onze rugzak op onze nek en lopen erheen. STC's zijn grote bussen, stukken luxer dan trotro's. Ze rijden tussen de grote steden en volgen zoiets als een dienstregeling. Je koopt dus een kaartje en weet hoe laat je vertrekt.

Op het station aangekomen staat er voor het loket 'Accra' een nogal ongeorganiseerde rij. Een duidelijk begin of eind zit er niet aan, het is meer een groep mensen voor een loket. We voegen ons tussen de mensen. Het lijkt niet of er iemand achter het loket zit. Na tien minuten verschijnt een mevrouw in keurig uniform achter het raampje. Ze gunt de wachtenden voor het raam geen blik waardig en begint iets op de computer voor haar te typen. Dan beginnen er kaartjes uit een machientje te rollen. Ha, dan zal ze nu wel beginnen te verkopen. Maar nee. Aan de kaartjes moet een bonnetje worden geniet, dat uit een ander machientje komt. Daar moet een handtekening van de mevrouw op, er moet nog een ander bonnetje aan en van deze configuratie moet een stapel van tenminste 25 op voorraad worden gemaakt. Nog een kwartier later gaat dus eindelijk het raampje open. Na veel porren en trekken weten we een kaartje voor de bus van half vier te bemachtigen.

We hebben dus nog bijna een uur voor de bus vertrekt. We laten eerst onze bagage wegen en zoeken dan een plek op om lunch te eten. Het eten smaakt goed, wat aan de dure kant maar och, we zijn op reis. Om kwart over drie gaan we klaar staan bij het hek waar de bus hoort aan te komen. Een kwartier later staat er echter nog steeds geen bus. De mensen beginnen wat te morren, maar daar komt een bus aan waar 'Accra' op staat. Helaas maakt de bus een bocht voor onze neus langs en verdwijnt door een hek van het station. Vanaf nu gebeurt dat ongeveer om het kwartier, en iedere volgende bus is weer niet voor ons. Om vier uur wordt er een bericht omgeroepen: Of de chauffeur van bus nummer 2081 Q zich wil melden. Dat zou toch niet onze chauffeur zijn?!? Vijf minuten later wordt het bericht herhaald, en tien minuten later weer. De vrouw door de intercom begint steeds dringender en bozer te klinken. Om half vijf verschijnt er eindelijk een bus. Tot zover de dienstregeling van de STC...

Op ons kaartje staat een zitplaatsnummer. We gaan dus keurig op ons aangewezen plaatsje zitten. Als iedereen is ingestapt, blijkt dat er nog een paar plaatsen vrij zijn. Omdat de bus meer dan een uur te laat is heeft de bestuurder geen zin om op die mensen te wachten. Een aantal gelukkigen die op de volgende bus staan te wachten (die nu dus óók een uur vertraagd is) worden daarom op de lege plaatsen gezet. Net als we willen vertrekken komt een van de eigenaren van de plaatsen aan, en ontstaat opnieuw een woordenwisseling. Wat precies de uitkomst is is ons niet duidelijk, maar één van de twee herriemakers wordt uit de bus gezet en nog voor vijf uur vertrekken we.

De reis met de STC gaat redelijk voorspoedig, hoewel ook hier beenruimte een beetje een probleem is. Ook zitten er opklapbankjes in het gangpad, dus ook deze bus is behoorlijk volgeladen. Maar de banken zijn comfortabeler, en per persoon heb je gewoon een stuk meer ruimte. Om negen uur rijden we Accra binnen, en om half tien staan we op het STC station. Doodvermoeid van de reis ploffen we in een taxi, onderhandelen de prijs de helft omlaag en wijzen de weg naar het miniscule en goedkope hotelletje waar we altijd verblijven. Eindelijk in Accra, eindelijk een bed, eindelijk slapen...

"Jij spreekt goed Twi!?"
"varken"
"Is hij dood?"

Erik Min, 6 februari 2001


Copyright 1999,2000 Erik Min, Mariska Leliveld
Vragen en opmerkingen naar
Mariska Leliveld